Onderwerp laatst gewijzigd op: 2012-03-22
Domeinen worden beheerd via een wereldwijd systeem van domeinregistrars en databases. DNS (Domain Name System) verzorgt de koppeling tussen gebruiksvriendelijke hostnamen van computers en de IP-adressen die door netwerkapparatuur worden gebruikt om computers te identificeren. Als u bekend bent met de basisprincipes van DNS en domeinregistrars, zult u domeinen beter en efficiënter kunnen beheren in Microsoft Office 365 voor ondernemingen.
Het is ook handig om het verschil te weten tussen domeinregistrars en DNS-hostingservices. Als u weet wat deze termen inhouden, kunt u domeinen eenvoudiger registreren en beheren. Lees voor meer informatie het artikel Domeinnaamregistratie en DNS-hostingservices.
Domeinnamen worden gebruikt in URL's en e-mailadressen die zijn gekoppeld aan een of meer IP-adressen. Domeinnamen zijn opgebouwd uit verschillende niveaus. De domeinnaam mail.contoso.com is bijvoorbeeld een naam met de volgende drie niveaus:
- .com is het topleveldomein
- contoso is het secondleveldomein
- mail is het thirdleveldomein
Opmerking: Soms worden thirdleveldomeinen gebruikt om webpagina's aan te geven die verschillende functies hebben, zoals blog.contoso.com.
Zie Werken met domeinnamen en DNS-records in Office 365 voor meer informatie.
Met DNS-records kunt u internetverkeer van en naar uw domein leiden. Via deze records wordt een domeinnaam gekoppeld aan een bepaald IP-adres. De onderstaande tabel bevat veelgebruikte DNS-records en de bijbehorende functies:
| Naamserverrecord | Deze record geeft aan wat de gezaghebbende naamservers zijn voor een bepaald domein. DNS-gegevens kunnen gedurende bepaalde tijd worden opgeslagen in de cache van verschillende naamservers. Als de geldigheid van de cache echter verstreken is, nemen niet-gezaghebbende naamservers contact op met de gezaghebbende naamserver om bijgewerkte gegevens van een domein op te vragen. |
| A-record (adresrecord) | Met dit type record wordt een domeinnaam gekoppeld aan een IP-adres. |
| CNAME-record (alias- of adresbronrecord) | Deze record geeft aan dat de domeinnaam een alias is van een andere, canonieke domeinnaam. Wanneer een naamserver een domein opzoekt en een CNAME-record vindt, wordt de eerste domeinnaam vervangen door de CNAME en wordt deze naam opgezocht. |
| MX-record (Mail Exchanger) | Deze record geeft aan bij welke server e-mail moet worden bezorgd. De record bevat ook een prioriteitsveld, zodat e-mail in een bepaalde volgorde kan worden afgeleverd bij verschillende servers. |
| SPF (Sender Policy Framework) | Een e-mailcontrolesysteem dat e-mail met als doel spoofing en phishing moet voorkomen. |
| SRV-record (servicerecord) | Deze record bevat gegevens van beschikbare services. SRV-records worden gebruikt door Lync Online en Exchange Online om de uitwisseling van gegevens tussen services van Office 365 te coördineren. |
| TTL (Time To Live) | De hoeveelheid tijd die een DNS-record door een naamserver of een andere server wordt vastgehouden of opgeslagen in de cache voordat de server nieuwe gegevens opvraagt bij de gezaghebbende naamserver. Deze parameter wordt gebruikt om het aantal query's op een naamserver te reguleren. |








